Jachtwerf de jong

    • home
      • Jongline 43
      • Teakhouten vletten
      • Open zeilboten
      • Betimmeringen
      • Teakdekken
      •  
    • boten
      • Reparatie
      • Restauratie
      • Schilder/lakwerk
      • Winterberging
      •  
    • occasions
    • foto
    • geschiedenis
    • Contact

Geschiedenis

 
Jachtwerf De Jong, Joure

Op gewijde grond

Wie ooit Joure heeft aangedaan, zal zich de werf van De Jong wel herinneren. Een rijzige, oude houten loods bepaalt het gezicht van Joure vanaf het water. Op de loods in bladderende letters 'Jachtwerf De Jong Nieuwbouw Houten Schepen'. Dwars erop staat een tweede houten loods, maar kleiner. En ervoor het kleine witte huisje van de werfbaas. Een paar statige oude bomen maken het plaatje compleet. Met een beetje fantasie lijkt het of je het eind van de vorige eeuw binnenvaart. Precies: met een beetje fantasie. Want schijn bedriegt. De grote loods is niet ouder dan 35 jaar. En heeft weliswaar een authentiek uiterlijk, maar binnenin een geraamte van steen en ijzeren binten. De bladderende letters zijn pas een enkele jaren geleden aangebracht. Speciaal voor de tv-reclame van de abn/amro-bank waarin voormalig directeur Henk de Jong een Pampus te water laat, meeneemt voor een proefvaart en mag vertellen waarom de betreffende bank zich van hem dé bank mag noemen. Dat alles doortrokken van een gouden gloed, het vakmanschap-is-meesterschap-licht dat nou eenmaal bij een werf als die van De Jong hoort. Maar de loods mag dan nieuw zijn en de letters oud gemaakt, Jachtwerf De Jong heeft wel degelijk een lange en rijke historie. Gevestigd op een plek in Joure waar al generaties lang schepen werden gebouwd voor Henk de Jongs vader zich er in 1965 vestigde.

 

Eeltsjesbaes: de grootste

 

De geschiedenis van de werf aan de Zijlroede in Joure gaat tenminste terug tot 1653. In het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek zijn nog stukjes en beetjes van ruim drie eeuwen geleden, terug te vinden. Zo schrijft de historicus P.S. Roarda uit Leeuwarden dat er destijds grote houten schepen werden gebouwd. Koggeschepen en galjoenen. Zeeschepen die alle Europese wateren bevoeren. Gebouwd van eiken dat destijds nog ruim in de directe omgeving voorhanden was. Ook toen moet er al een grote bouwloods aan het water in Joure hebben gestaan. Al werd die destijds heel anders gebruikt dan tegenwoordig. De loods bood niet alleen beschutting, maar diende tevens als mal voor de schepen in aanbouw. Balken en binten van het gebouw stonden vol tekens-, merk- en bevestigingspunten die bij de bouw van een schip onmisbaar waren.

Maar het - voorlopig? - hoogtepunt in de historie van wat tegenwoordig Jachtwerf De Jong is, begon tweehonderd jaar later toen in 1857 scheepsbouwer Eeltje Holtrop Sytses van der Zee zijn geboorteplaats IJlst verruilde voor Joure. De werf in Joure lag inmiddels op z'n gat door de opkomst van de ijzerbouw en de komst van stoomschepen. Eeltje - die tegenwoordig beter bekend is als Eeltsjesbaes - had een goede leermeester in het scheepsbouwvak: Eeltje Taedzes Holtrop uit IJlst:


zijn grootvader, die wel wordt beschouwd als de eerste grote Friese boeierbouwer. Maar zoals het zo vaak gaat, zou ook in dit geval de leerling zijn leermeester overvleugelen. Eeltsjesbaes nam in 1848 de werf in IJlst van z'n opa over, maar verhuisde als gezegd een kleine tien jaar later naar de werf in Joure. Daar legde hij zich toe op de bouw van beroepsschepen voor de binnenvaart, snikken en skûtsjes. En hij begon met de bouw van 'luxe' boten- Friese jachten, boeiers en tjotters. Boten waarin hij zich kon 'uitleven' en die ervoor zouden zorgen dat zijn naam zou voortleven.


Eeltsjesbaas wordt tegenwoordig beschouwd als een van de grootste - zo niet de grootste - Friese scheepsbouwers. Of misschien zou je hem een kunstenaar moeten noemen, een bouwer die als geen ander de lijnen van een schip wist te vormen. Die schepen bouwde waarvan de lijnen nergens 'stil' stonden. Die puur op gevoel werkte bovendien.


Het verhaal gaat dat Eeltsjesbaes, als hij opdracht kreeg voor een nieuw te bouwen boeier of Fries jacht, naar de waterkant liep en langdurig over het water staarde. Langzaam maar zeker kreeg dan voor zijn geestesoog het nieuwe schip vorm. Eeltsjesbaes stond er net zolang tot het nieuwe schip 'af’ was. Dan keerde hij om, ging z'n huis binnen en zei steevast tegen z'n vrouw: 'Ik ha him sjoen' - Ik heb hem gezien. Dan pas kon met de bouw worden begonnen. Of het waar is? De roem van Eeltsjesbaes heeft van hem inmiddels een bijna mythische figuur gemaakt. Een man van wie verteld wordt dat hij om een schip in aanbouw heenliep, daarna z'n pruim uit de mond haalde en die tegen de zijkant van het schip duwde: daar en nergens anders moest het zwaard komen. En natuurlijk was het goed. Eeltsjesbaes bouwde schepen die de tand des tijds hebben weerstaan. Van zijn vijftien boeiers zijn er negen bewaard gebleven. De boeier Constanter bijvoorbeeld, de Sperwer (nu te bewonderen in het Zuiderzeemuseum) en - misschien wel de beroemdste van allemaal - het Fries statenjacht de Friso.


De laatste bouwde Eeltje samen met zijn enige zoon Auke aan wie hij in 1894 de werf overdeed; Eeltsjesbaes overleed in 1901. Auke - beter bekend als Aukebaes - was weliswaar een vakman, maar kon het artistieke niveau van z'n vader niet evenaren. Bovendien had hij de tijd niet mee: de economie verkeerde in een diepe crisis. Auke besloot van armoe ook maar in ijzer te gaan bouwen - zelfs motorjachten. Maar in de jaren twintig en dertig raakte de werf steeds meer in verval. net als Auke zelf. Auke, een verstokt vrijgezel, stopte begin jaren dertig met het bedrijf. Een opvolger was er niet. Als Auke in 1939 overlijdt, lijkt ook de eens zo florerende werf ter dode opgeschreven.


Gered door Douwe Egberts

 

Het is te danken aan de (invloed)rijke familie De Jong van de Douwe Egberts fabriek dat de werf behouden blijft. Douwe Egberts koopt de werf en brengt hem onder in de stichting Het Kofschip, die meer historische gebouwen in Joure beheert. Douwe Egberts is trouwens -nog altijd de officiële eigenaar. De heren De Jong (geen familie overigens van De Jong van de huidige jachtwerf) weten zelfs een nieuwe huurder voor het bedrijf te vinden: Johannes van der Meulen. Van der Meulen, nog een echte 'ouderwetse' scheepsbouwer, slaagt erin een bloeiend bedrijf op te bouwen. Steeds meer oude houten boten komen in trek als jacht en de restauratie daarvan is een belangrijke bron van bestaan voor de werf. Maar als Van der Keulen verhuist naar Sneek - waar de werf nog steeds is gevestigd - komt de werf in Joure opnieuw leeg te staan. De staat van de gebouwen is dan zo slecht. dat stichting Het Kofschip besluit de zaak - met uitzondering van een kleine loods en het huisje van de werfbaas - tegen de vlakte te gooien en in authentieke staat te herbouwen. Wat blijft staan, wordt gerestaureerd. Tevens komt er een nieuwe huurder: Abele de Jong. En daarmee begint de recente geschiedenis, Abele de Jong is al voor de Tweede Wereldoorlog jachthouwer in Joure. Hij levert in die periode voornamelijk boten als bm's en zestienkwadraten af. Het contact met Douwe Egberts wordt gelegd als een van de directeuren bij hem een motorvlet wil bestellen. De Jong, die nog nooit zo'n boot heeft gebouwd, vertelt de directeur dat hij eerst maar eens bij De Vries Lentsch moet gaan kijken hoe de bouw in z'n werk gaat en daarna het hout moet bestellen. De tekenaar van Douwe Egberts bestelt vervolgens 7 m lange, 20 cm brede teak planken. 'Daar had je dus helemaal niks aan', zegt voormalig directeur, Henk de Jong nu. 'Dus werd in alle planken mes en groef gefreesd zodat ze konden worden verbreed en pas daarna kon er een vlet worden gebouwd. Toch betekent die eerste 'amateuristische' motorvlet het begin van een periode waarin Jachtwerf De Jong beroemd zou worden om zijn vletten. In eerste instantie boten van 3 tot ruim 8 m (de grootste modellen met kajuit). Tegenwoordig voornamelijk open vletten van 6,20 en 7.50 m. Daarnaast is De Jong een van de weinige Pampusbouwers die Nederland rijk is en wordt het restauratiewerk van authentieke, houten schepen steeds belangrijker.